Waarom kom je op reis ALTIJD Nederlanders tegen?

poloshirtEen jaar of zes geleden deed ik met mijn vriend een tourtje west-China. Vanuit de Sichuanese hoofdstad Chengdu reden we acht uur met een krakkemikkige bus langs ravijnen om in het idyllische Songpan een oase van rust te vinden. In Songpan trokken we te paard de bergen in, slechts vergezeld door een aantal zingende ruiters en gewapend met kampeeruitrusting, om in de bergen te overnachten. En daar, ver, ver weg van de bewoonde wereld gebeurde het. Hard gelach steeg op boven het gebergte. Het bleek een geluid afkomstig van een groep tegemoetkomende toeristen. En voordat we de twaalf bontgekleurde poloshirtjes de hoek om zagen komen, wisten we aan het aantal decibel: Nederlanders.

Ander voorbeeld. In een buitenwijk van Tokio staat een klein hostel. Geen overbodige luxe, niet al te veel kamers: gewoon een klein plekje waar toeristen voor een schappelijk bedrag kunnen overnachten. Vorig jaar in maart besloten we de gemeenschappelijke koffieruimte aldaar eens te bezoeken. We hadden het kokende water amper over het bruine drabje gegooid of we werden aangesproken. Een landgenoot herkende waarschijnlijk de Hollandse manier van schenken. Na drie weken ‘lost in translation’ te zijn geweest, schoven we samen aan een tafel voor het Douwe Egberts-gevoel en bespraken we onze rondreizen tot in detail.

Vooruit, nog een voorbeeld. Voor een reportagereis verbleef ik twee weken in een hostel in Beijing. Het hostel beschikte slechts over vijf kamers en dus konden mijn reisgenoot en ik, als volleerde bejaarden, precies in de gaten houden wie er kwam en ging. En raden welk thuisland er op hun paspoort stond. Op een ochtend ontdekte ik een drietal grote mannen, gekleed in korte broek met ruitjes en lopend op teenslippers. Mijn instinct zei: landgenoten. Maar ik verstond ze niet. Met de grootste concentratie probeerde ik hun taal thuis te brengen en ik concludeerde, na een ochtendje luistervinken: dit zijn Finnen. Vol trots bracht ik mijn kamergenoot aan de ontbijttafel op de hoogte van de nationaliteit van onze nieuwe buren. Onder tafel kruipend van schaamte maande ze mij tot stilte. De mannen, die naast ons zaten, bleken hun conversaties in plat Maastrichts te voeren. Een taal die zij uit duizenden herkende.

Nederlanders in den vreemde: het is geen onbekend verschijnsel. Hoe ver je ook van de gebaande paden afwijkt, in welke uithoek je ook je tent opzet: die harde g achtervolgt je over de hele wereld. Sommige mensen vinden dat vervelend, ik vind het vooral opvallend. In Nederland wonen 16,5 miljoen mensen. Een groot deel van die mensen reist in de schoolvakanties, periodes die ik meestal vermijd, nu het nog kan, en hele troepen Nederlanders verblijven in resorts of op Ibiza. Statistisch gezien zouden Nederlanders elkaar niet zo vaak moeten tegenkomen in andere verre oorden. Wat ik me dus afvroeg (en meer mensen met mij, hoorde ik laatst): hoe kan het dat je op reis altijd Nederlanders tegenkomt? Lopen we elkaar gewoon achterna of reizen ze massaal de wereld over? En wat is dat toch met die herkenbare korte ruitjesbroeken en gekleurde poloshirtjes?

(Dit blogje verscheen eerder op Watikmeafvroeg, mijn blog met triviale levensvragen)

Post a comment

You may use the following HTML:
<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>